Visie RVA in de praktijk

De visie in de praktijk

 

In eerdere nieuwsartikelen heeft u kunnen lezen dat de Regionale Voetbal Academie voor elk kind een uniek en volledig gepersonaliseerd programma ontwerpt. De RVA besteedt aandacht aan vaardigheden om de spelers voor te bereiden op de huidige en toekomstige maatschappij. Ook zijn wij ervan overtuigd dat de spelers door de aanpak van de RVA geleerde vaardigheden eerder kunnen toepassen in de wedstrijd.

Hoe ziet dit eruit in de praktijk?

  1. Het gepersonaliseerde programma

Laten we starten bij het unieke en volledig gepersonaliseerde programma. Voor elke speler wordt een profiel aangemaakt in het digitale spelervolgsysteem IKSO. Aan het begin van de tienweekse cursus scoort de speler zichzelf en wordt hij gescoord door de trainer. Hierdoor krijgt de speler inzicht in zijn kwaliteiten en verbeterpunten en formuleert op basis hiervan zijn leerdoelen. Voor elke speler worden de leerdoelen op papier gezet. De coach ontvangt een document met de leerdoelen van al zijn spelers. Er wordt gewerkt aan de hand van vier rollen; de rol van aanvaller met, mede-aanvaller, verdediger op de bal en mede-verdediger. Alle leerdoelen zijn te herleiden naar deze vier rollen. In een partijvorm zitten al deze rollen verwerkt en kunnen dus al de spelers aan hun eigen doelstellingen werken.

Daarnaast worden er zelden oefeningen aangeboden voor de gehele groep. Vaak worden er meerdere oefeningen uitgezet zoals bijvoorbeeld passen en trappen, techniek, 1vs1 en 2vs2. De speler bepaald dan zelf, op basis van zijn leerdoelen, welke oefening hij wil gaan doen het op dat moment het meeste betekenis heeft.

  1. Uw kind klaar voor de maatschappij!

De belangrijkste vaardigheden die behandeld worden zijn reflecteren, kritisch denken, probleemoplossend vermogen, zelf verantwoordelijkheid nemen voor je leerproces en samenwerken. Door de kinderen zichzelf te laten scoren in het digitale volgsysteem worden de spelers gedwongen om te reflecteren. Vervolgens moeten zij op basis hiervan een leerdoel formuleren. Hierbij worden zij begeleidt door de coach. Die zal de speler vragen wat hij wil leren en hoe hij dit wil gaan bereiken. Om antwoord te geven op de ‘hoe-vraag’ zal de speler met oplossingen en doelgerichte acties moeten komen.

Daarnaast worden er constant vragen gesteld aan de spelers. Een oefenvorm wordt uitgelegd en er wordt gevraagd wat het doel van deze oefening kan zijn. Wat kun je hier leren en wat bereik je hiermee, wat heb je hieraan in de wedstrijd? Aan het eind van de oefening wordt gevraagd of datgene wat geleerd diende te worden ook is gelukt. Hierdoor worden spelers bewust gemaakt van het geleerde. Vervolgens wordt samen met de speler gereflecteerd om te kijken waar de mogelijkheden tot verbetering zitten. Op deze manier wordt de speler zelf verantwoordelijk gemaakt voor het leerproces.

Leren doe je nooit alleen. Hierbij heb je hulp van een coach, maar ook van je medespelers. In een teamsport als voetbal is niets belangrijker dan samenwerken. In het digitale volgsysteem kiezen de spelers een leerdoel. Vervolgens wordt inzichtelijk gemaakt welke spelers hier ook aan werken, maar ook welke spelers hier erg goed op hebben gescoord. Op deze manier kun je met elkaar aan dezelfde leerdoelen werken of hulp vragen van een medespeler om jouw doel te bereiken.

  1. Toepassen van het geleerde in de wedstrijd

Waarom wordt er getraind? Dit klinkt als een vreemde vraag en het antwoord lijkt vanzelfsprekend; ‘Om beter te worden en om uiteindelijk beter te presteren in de wedstrijd’. Hoe zorg je ervoor dat je datgene wat je op de training leert direct kunt toepassen in de wedstrijd? In andere woorden, hoe zorg je voor het optimale leerresultaat?

Dat zijn vragen waarop het antwoord minder vanzelfsprekend is. Er wordt veel gesproken over de Wiel Coerver en de René Meulensteen methode. Bij deze methode wordt erg veel ‘geoefend’. Elke speler heeft een bal en iedereen is bezig met het leren dribbelen, kappen, draaien en passeren. Maar als jij een passeerbeweging om een hoedje heen kunt maken op de training, betekent dit niet dat je in de wedstrijd ook een verdediger kunt passeren. Hiervoor is het van belang dat je constant onder volledige weerstand passeerbewegingen kunt oefenen in bijvoorbeeld een 1vs1 partij.

Ook moet de speler weten wanneer hij een bepaalde aangeleerde vaardigheid kan toepassen. Een groot deel hiervan gebeurt door impliciet leren (onbewust). Echter kan het van grote waarde zijn om spelers hier bewust van te maken. Om dit te bereiken moet het accent tijdens de training worden gelegd op de essentie. Bij de RVA trainen we dus niet op passeerbewegingen, maar op het creëren van ruimte om te komen tot scoren. Dat is namelijk de essentie van een passeerbeweging, het creëren van een overtal situatie of ruimte.

Door aandacht te besteden aan de essentie beseft de speler wat het doel is van de geleerde vaardigheden en zal dit op de juiste momenten onder weerstand in de wedstrijd kunnen uitvoeren.

Geef een reactie