Invloed van Breinleren op de sportcontext

Breinleren RVA

Reflecteren, keuzes maken, samenwerken, leiderschap, communiceren, doelen stellen, gefocust en gedisciplineerd werken. Zoveel vaardigheden die men belangrijk vindt voor kinderen. Zoveel vaardigheden die kinderen moeten leren om uiteindelijk succesvol te kunnen deelnemen aan ‘onze’ maatschappij.

Maar wie neemt de verantwoordelijkheid om kinderen deze vaardigheden te leren? En op welke manier kunnen deze vaardigheden het meest effectief en duurzaam aangeleerd worden? Op school wordt gezegd dat hier, naast alle andere vakken, weinig tijd voor is. Ouders hebben niet altijd de kennis om deze vaardigheden op een goede manier aan te leren tijdens de opvoeding. Allemaal begrijpelijk, maar wie gaat dan de verantwoordelijkheid nemen?

Bij de RVA vinden wij dat juist de sportverenigingen, het bewegingsonderwijs en andere sportorganisaties hier een hele belangrijke rol in spelen. Juist de sport is de ideale context om dit soort vaardigheden op een effectieve en duurzame manier aan te leren.

Gerjanne Dirken, van BreinCentraalLeren geeft aan dat er zes leerprincipes (herhalen, emotie, creatie, focus, zintuigelijk rijk en voortbouwen) zijn, die zijn gebaseerd op neurocognitieve wetenschappelijke inzichten. Veel van deze leerprincipes zijn gemakkelijk te integreren in de sportcontext. Hieronder worden er een aantal uitgelicht.

Emotionele toestand
De emotionele toestand moet ‘goed’ zijn, zodat de neurale patronen sterker worden, waardoor een activiteit beter wordt onthouden. Door er in de sportcontext voor te zorgen dat iedere speler voldoende uitdaging heeft, maar dat de oefeningen niet te makkelijk zijn, kan gezorgd worden voor de juiste mate van ‘arousel’ in de hersenen (Neo Mammilian Brain), waardoor de emotionele toestand (Protoreptilian Brain) goed is om vaardigheden te leren en te onthouden.

Daar komt nog bij dat kinderen sporten vaak als leuk en prettig ervaren (ze zijn gemotiveerd), waardoor vaardigheden gemakkelijker aangeleerd kunnen worden.

Focus
Leren moet voor het brein uitkomst- en contextgericht zijn. Als er wordt gekeken naar de hierboven genoemde vaardigheden is dit in de sport altijd uitkomst- en contextgericht. Laten we de vaardigheid ‘communiceren’ als voorbeeld nemen. In de sport kan dit worden toegepast door bijvoorbeeld overlegmomenten in te plannen in de training, waarbij spelers zelf een strategie of een plan van aanpak bedenken en dit vervolgens gaan toepassen. Of door een speler de rol van scheidsrechter te geven. In beide gevallen zal direct zichtbaar zijn of de communicatie goed is verlopen. Als de scheidsrechter fluit, maar er wordt niet geluisterd en het spel gaat door, krijg je direct feedback dat het niet heeft gewerkt. Als de strategie of het plan van aanpak niet goed wordt uitgevoerd, krijg je direct feedback dat de communicatie niet goed is verlopen.

De combinatie tussen de werking van het brein, dat het beste contextgericht kan leren en de sportpraktijk is ook zeer interessant. Het brein kan het geleerde het beste toepassen in een nieuwe context die lijkt op de context waarin de vaardigheid aangeleerd is. Dit is waarschijnlijk één van de argumenten waarom de KNVB altijd zoveel mogelijk ‘wedstrijd-echt’ wil trainen. Een andere methode die interessant is voor de sportpraktijk is om er juist voor te zorgen dat het geleerde niet meer contextafhankelijk is. Dit kan de trainer doen door de vaardigheden in verschillende contexten aan te leren. Deze methode wordt onderschreven door de theorie van Schöllhorn over differentieel leren.

Zintuigelijk rijk
Het spreekt inmiddels voor zich dat je informatie beter onthoudt, wanneer de informatie bestaat uit zowel auditieve als visuele prikkels. Des te meer zintuigen worden gebruikt, des te beter het geleerde beklijft en des te makkelijker het is om dit op te halen. Binnen de sport automatisch vele zintuiglijke prikkels aanwezig. Hierdoor zouden belangrijke vaardigheden zoals genoemd in de eerste alinea duurzaam aangeleerd kunnen worden in de sportcontext.

Herhaling, creatie, bouw voort op bestaande
Dit zijn leerprincipes die ook relatief gemakkelijk in de sportcontext geïntegreerd kunnen worden, maar op deze leerprincipes onderscheidt de sportcontext zich in mijn ogen niet direct van een context als bijvoorbeeld het onderwijs. Vandaar dat deze principes niet specifiek zijn uitgewerkt.

Maar gaat de tijd die hierin wordt geïnvesteerd dan niet ten koste van de motorische ontwikkeling? Afhankelijk van de vaardigheden die de kinderen krijgen aangeleerd, kan dit elkaar juist enorm versterken. Door aandacht te besteden aan competenties als zelfregulatie en zelfredzaamheid (die de bovenstaande vaardigheden min of meer samenvatten) snijdt het mes aan twee kanten. In verschillende onderzoeken wordt aangetoond dat spelers die zelfregulerend kunnen werken zich ook doelgerichter en effectiever kunnen ontwikkelen. Om sporters deze skill te leren, zou dus op de lange termijn juist ten goede komen aan de ontwikkeling van het kind als sporter.

Dit wetende, zou de positionering van sport in onze maatschappij wel eens helemaal kunnen veranderen. Nu wordt sport vaak gezien als preventiemiddel om hoge zorgkosten te voorkomen (Ministerie van Volksgezondheid), maar wat zou er gebeuren als sport gepositioneerd wordt als instituut om al deze belangrijke vaardigheden aan te leren.

Dat zou de waarde van sport vergroten voor de educatie van kinderen (ook voor de kinderen die sport helemaal niets aan vinden) en zou sport een bijdrage kunnen leveren aan het voorbereiden van kinderen op de maatschappij.

Stel dat iedereen gaat sporten, omdat zij weten dat ze daardoor een beter mens worden? Dat ze zich juist daardoor persoonlijk kunnen ontwikkelen? Dat zou sport wellicht aantrekkelijk maken voor veel kinderen en mensen die op dit moment niet geïnteresseerd zijn in de sport, waardoor ook de zorgkosten uiteindelijk zullen dalen.